Een Artikel uit het NIW van 28 maart’97 en mijn reactie hierop

Waarom joden in België vaker overleefden

Pim Griffioen en Ron Zeiler hebben voor het eerst een systematische vergelijking gemaakt van de joden vervolging in Nederland en België. Zij publiceerden hun bevindingen in het Achtste Jaarboek van het Riod (Walburg Pers, Amsterdam). Griffioen werkt bij het museum en studiecentrum Beit Lohamei Haghetaot in Israël. Zeiler is verbonden aan het ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag.

De afgelopen tien jaar is er – mede dankzij prof. Hans Blom, de huidige directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie - in Nederland toenemende belangstelling voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in vergelijkend perspectief, en met name die van de jodenvervolging. In 1987 zette Blom in De Gids al een aantal factoren op een rijtje die een mogelijke verklaring vormen voor het hoge aantal joodse slachtoffers in Nederland. Anderen deden bij diverse gelegenheden verslag van deelonderzoeken op dit vlak. Dan Michman onderzocht de rol van SS, Wehrmacht en burgerlijk bestuur in de vervolging; Raoul Hilberg schreef over de betrokkenheid van de verschillende joodse raden.

Systeem, groepsgevoel en Sperren bepaalden het verschil.

De analyse van Griffioen en Zeiler geeft „één nadere precisering ... omtrent de belangrijkste oorzaken van het grote verschil in het aantal joodse slachtoffers in de twee landen," namelijk veertig procent in België en bijna het dubbele, 75 procent, in Nederland. De gegevens die zij gebruiken, zijn nauwelijks nieuw. Sommige inzichten die zij bieden, of tenminste de wetenschappelijke onderbouwing daarvan, wel.

Opvallend is de indeling die Griffioen en Zeiler gebruiken. Zij onderscheiden achtereenvolgens vervolgers, omgeving en slachtoffers, een klassiek schema sinds Hilberg. Bij de invulling van deze categorieën ma ken zij echter korte metten met een aantal aannames die tot voor kort algemeen aanvaard waren.

Niet van doorslaggevende betekenis bleken de vluchtmogelijkheden in België in mei 1940 of het gebrek aan natuurlijke onderduikmogelijkheden in Nederland, zoals bossen en bergen. Of de omvang van het beschikbare Duitse politieapparaat of de betrokkenheid van de inheemse politie. Wel erg belangrijk waren de methoden die de vervolgers hanteerden.

Griffioen en Zeiler wijzen drie hoofdoorzaken aan voor het grote aantal Nederlandse slachtoffers. De deportaties functioneerden hier veel meer als een systeem, waarin de inrichting van de joodse werkkampen een belangrijke rol speelden. Door de isolatie en concentratie vooraf vormden de mensen die hierin waren samengebracht een gemakkelijke prooi. Systematische ontruiming van deze plaatsen - met name naar Sobibor - leverde al twintig procent van het totale deportatiecijfer. In België werd veel meer gewerkt met grote razzia's, waartegen sneller weerstand ontstond in de vorm van onderduik of valse papieren.

„Veel joden hier voelden zich meer Nederlander dan joods"; anderszins was er onder de joden in België „een veel grotere mate van groepsgevoel dan onder de joodse burgers in Nederland," stelt het duo. Deze integratie maakte dat de Nederlandse joden later in verzet gingen en onderdoken. Bovendien bedachten zij zich wel twee keer na de bloedige onderdrukking van de Februaristaking. Liefst gebruikten Nederlandse joden legale mogelijkheden zoals de zogenaamde Sperren.

Eind 1942 hadden bijna 45.000 Nederlandse joden een of andere vorm van vrijstelling van deportatie. Deze 'Sperren' waren deel van de Duitse systematiek en resulteerden uiteindelijk in een hoger aantal slachtoffers. Zij boden in wezen geen enkele veiligheid, en resulteerden erin dat mensen later of te laat onderdoken. Ook de mate waarin de Joodse Raad in Nederland een rol kon spelen en het verzet in België te gen de Association des Juifs en Belgique was in deze van belang.

MM

Ingezonden bief in het NIW (11 april 1997 - 4 niesan 5757)

Belgisch verzet

Het artikel 'Waarom joden in België vaker overleefden' (NIW, 28 maart 1997) gaf een samenvatting van een vergelijkend rapport van Pim Griffioen en Ron Zeiler, gebaseerd op hun  scriptie, die al eerder in het nieuws was door toekenning van de Hartog Beem-prijs.

Het rapport noemt drie hoofdoorzaken voor het verschil in het aantal joodse slachtoffers in beide landen. Tevens wordt gewezen op enkele feiten die volgens de samenstellers geen of nauwelijks een rol hebben gespeeld. Eerdere historische beschouwingen van onder anderen Poliakov, Hilberg, Dawidowicz, Gilbert en Kempner, zien weer andere feiten als hoofdoorzaak respectievelijk bijzaak; zoals wel vaker lijkt het erop alsof de geschiedschrijvers het niet helemaal met elkaar eens zijn. Het zijn accent verschuivingen, de één vindt dit iets belangrijker, de ander weer dat. Alle verschilpunten wijzen echter in de richting van een meer loyale houding van de Belgen jegens hun joodse medeburgers.

Het verschil moet dus vooral worden gezocht in de mentaliteit van de Belgische bevolking, waarop de Duitse propaganda veel minder vat had dan op de Nederlandse. Het verraad en antisemitisme waren geringer van omvang dan in Nederland. De ambtenaren en met name de politie werkten niet mee bij het uitvoeren van de anti-joodse maatregelen. Er was een algemeen gevoel van solidariteit met de joodse slachtoffers en de wil er iets aan te doen.

De publicist Harry van Wijnen schreef enkele jaren geleden in een column in NRC/Handelsblad: „Nederlanders die de neiging hebben België als de zieke man van Europa te beschouwen, doen er goed aan zich er rekenschap van te geven dat België in de Tweede Wereldoorlog meer joden heeft gered dan Nederland. De Belgen hebben zelfs meer handen uit de mouwen gestoken en meer hens aan dek gebracht om de Belgische joden uit de handen van de Duitsers te houden dan de Nederlanders hebben gedaan. De Belgen hebben op grotere schaal gesaboteerd om de joden te helpen (zo goed als de Belgische joden zelf actiever zijn geweest in het gewapend verzet), ze hebben daarvoor meer risico's gelopen en ze hebben zichzelf na de oorlog minder op de borst geslagen."

Trouwens, het goed georganiseerde verzet van de joden zelf in het CDJ (Comité de Défense des Juifs) was ook een factor van betekenis voor de Nederlandse joden die in België waren ondergedoken. Ikzelf was één van hen. Een interessant detail is dat enkele Nederlanders leidinggevende posities hadden in het CDJ.

Amsterdam, N. Hamme