Mijn Verhaal

Een Hollander ondergedoken in België

Dit internationale congres in Brussel lijkt me een mooie gelegenheid om namens de Hollandse onderduikers eerbetoon te brengen aan de dappere verzetshelden, waarvan velen het met de dood hebben moeten bekopen. En ook aan de vele burgers voor hun hulpvaardigheid. Maar bovenal aan de Belgische bevolking in haar geheel voor de loyale houding t.o.v. haar Joodse medeburgers.

Hoeveel Nederlanders in de bezettingsjaren illegaal over de grens richting België zijn gevlucht is niet bekend. Zowel Dr. J. Presser als Dr. L. de Jong maken melding van dit feit doch aantallen ontbreken. Het moeten er vele duizenden zijn geweest, zowel Joden als niet-Joden.

Het was niet hun bedoeling om in België te blijven maar om verder te trekken de vrijheid tegemoet, naar Zwitserland of naar Engeland via Spanje en Portugal. Na juli 1942 werd dit uiterst riskant. Eenmaal in België durfden veel Joodse vluchtelingen, vaak gezinnen met oudere mensen en kleine kinderen, de moeilijke tocht niet meer te ondernemen en zijn in België ondergedoken.

Ik was één van hen. Mijn ouders, mijn 8 jarig zusje Hanneke en ik vluchtten begin juli 1942 bij Baerle Nassau de grens over, geholpen door een "passeur". We kwamen veilig in België aan.

Mijn ouders kenden in Brussel iemand waarvan ze wisten dat hij ons zou helpen. Het was een Joodse Hagenaar die al jaren in Brussel woonde en daar zijn zaak dreef. Maurits Bolle was zijn naam en naar later bleek: één van de kopstukken van het Joods verzet in België.

Mau Bolle organiseerde al in het begin van de Duitse bezetting een vluchtweg van Nederland via België en Frankrijk naar Zwitserland. Naarmate de jaren verstreken maakten steeds meer mensen gebruik van deze route. Het waren niet alleen Joodse Nederlanders maar ook studenten, Engelandvaarders, geallieerde militairen en ook Belgen. Al deze mensen werden voorzien van valse papieren en moesten enkele dagen, soms weken worden ondergebracht op diverse adressen voordat ze verder trokken. Toen we bij Mau Bolle aankwamen logeerden daar in huis ca. 20 mensen.

Ook wij bleven enkele dagen in zijn huis aan de Avenue Louis Lepoutre. Maar aangezien het vakantietijd was, was het mogelijk om zonder op te vallen onze intrek te nemen in een vakantiehotelletje in de bosrijke omgeving van Brussel. Hierdoor kwam er bij Bolle ruimte vrij voor anderen en wij hadden intussen een beetje vakantie.

Ik besef dat we veel geluk hadden. Mijn vader kende Mau Bolle, hij kende ook enigszins Brussel, sprak Frans en beschikte over enige financiële middelen. Hij had bovendien de vlucht al enkele dagen voorbereid. Dit alles was vooral in de beginperiode een groot voordeel.

Zeer weinigen waren zo bevoorrecht. Men was vaak hals over kop gevlucht, vaak zonder Belgisch geld, kwam in een voor hen vreemde omgeving en in een vreemd land, doodmoe, op van de zenuwen. Daarom was het van levensbelang dat men iemand kende tot wie men zich wenden kon. Zonder relatie was het vrijwel ondoenlijk zich te redden.

Wij kenden dus Mau Bolle en een betere relatie was niet denkbaar. Hij hielp ons meteen aan valse papieren en wij wachtten in ons hotelletje in het dorp Gistoux vol spanning op de dag dat we naar Zwitserland zouden vertrekken.

Helaas, de reis ging niet door; de verbinding over de Frans/Zwitserse grens was uitgevallen. Het was nog wel mogelijk om Zwitserland binnen te komen maar je moest dan op eigen gelegenheid de grens zien te passeren. Mijn ouders besloten toen in België te blijven.

Anderen hebben het echter wel geprobeerd. Een aantal kennissen is het inderdaad gelukt Zwitserland binnen te komen. Enkelen zijn nadat ze al in Zwitserland waren het land weer uitgezet en gingen toen weer naar België terug. Dit overkwam o.m. een zuster van mijn moeder met haar man en 2 jongens. Ook zij zijn na terugkomst in België ondergedoken en we hadden regelmatig contact met hen.

De zomer liep ten einde en dus ook de vakantietijd. Dat hield in dat een verblijf in het vakantiehotel niet langer verantwoord was. Bovendien zou het opvallen als de kinderen niet naar school gingen.

In ons hotel was een ander gezin, man, vrouw, 2 kinderen. De vrouw sprak op een dag mijn moeder aan en zei, dat zij in dezelfde omstandigheden waren als wij. Ze wist een kostschool in de Ardennen waar hun kinderen in september naar toe zouden gaan en raadde mijn ouders aan ons ook naar die school te sturen. Zo kwamen mijn zusje en ik op een Franstalige kostschool in de Ardennen.

Mau Bolle zorgde voor een onderduikadres voor mijn ouders. Dat was in een vrij grote villa in Ukkel, een voorstadje van Brussel, waar een gescheiden vrouw woonde met 2 kinderen. Zij verhuurde kamers met volledig pension en was betrouwbaar. Ze was dus op de hoogte en dat moest wel, want mijn ouders hadden geen distributiebonnen. Daarom werd er op de zwarte markt eten gekocht. Dat was geen groot probleem, want de vrouw had relaties op het platteland.

Als men het in Nederland over onderduiken heeft dan betekende dat meestal opgesloten zitten in een kamertje en niet meer naar buiten de straat op. In België was dat niet het geval. Het was juist de bedoeling om je onopvallend te gedragen, dus gewoon je gang te gaan zoals iedereen, dan liep je het minste risico.

Dat was ook de reden waarom mijn zusje en ik naar die kostschool gingen. In België kwam het veel voor dat men zijn kinderen naar een kostschool stuurde; er zijn er honderden, meestal katholieke pensionaten - vele hadden Joodse kinderen op school, volgens een officiële bron waren er 165 pensionaten, die Joodse kinderen herbergden, soms een groot aantal. Een bekend voorbeeld is "Chateau du Faing" a Jamoigne een school voor jongens van militairen, met 83 Joodse jongens.

Op onze kostschool zaten jongens en meisjes, van 5 tot 18 jaar, op een lagere en een soort middelbare school. In totaal waren er ongeveer 60 mensen; leerlingen, leraren en verder personeel. De school was gevestigd in een soort paleisje in renaissance stijl "Château de Bassines" geheten. Het lag te midden van uitgestrekte bossen, bij het dorpje Méan, in de landstreek "Condroz".

De directeur van de school was Eugène Cougnet. Château de Bassines bood sinds het begin van de oorlog een gastvrij tehuis aan de vervolgden. Er verbleven 40 Joodse onderduikers. Van de overige 20 personen moest ook een aantal zich schuil houden; of zij zaten in het verzet, of ze moesten naar Duitsland om te werken, etc.

Mensen die geld hadden betaalden, anderen niet. De volwassenen maakten zich nuttig door te werken. Ze werden leraar, kok, bakker of bewerkten de moestuin. De bakker b.v. was een econoom uit Oostenrijk. Hij bakte trouwens heerlijk brood. Eten was er volop; de school lag in een agrarisch gebied vlakbij een grote boerderij. De sfeer was er prettig, het onderwijs prima en de omgeving prachtig. Met plezier denk ik terug aan die tijd.

Voor mijn zusje was het minder leuk, ze sprak nog geen Frans en voelde zich eenzaam. Mijn ouders leerden toevallig de Hollandse familie Meddens kennen, die al lang in Brussel woonde en waarmee ze een prettig contact hadden. Die stelde toen voor mijn zusje bij hun in huis op te nemen en haar te  laten inschrijven op de Hollandse school "Prinses Juliana", daar gingen hun kinderen ook op school. In dec.‘42 gebeurde dit en mijn zusje werd gastvrij opgenomen in het gezin Meddens.

Mau Bolle hield zich naast de opvang van steeds meer Hollandse vluchtelingen nog met andere verzetsactiviteiten bezig. Zijn jongste dochter Hélène, een medisch studente aan de Vrije Universiteit van Brussel, bracht hem in contact met G. Jospa en R. van Praag. Deze vroegen hem deel te nemen aan hun organisatie het Commité Défense Juive. De bijeenkomsten  werden gehouden bij C. Perelman en verder namen deel: E. Goldschmidt en M. Heiber, bekende namen binnen het Joods verzet in België.

Roger van Praag, ook van origine een Joodse Hagenaar, woonde als kind al in België. Hij zat in het begin van de oorlog in het bestuur van de Belgische Winterhulp", een Duitse liefdadige instelling voor hulp aan behoeftige (proDuitse) mensen en zag kans een deel van de fondsen te gebruiken voor ondergedoken Joodse kinderen. In  het verzet hield hij zich in hoofdzaak bezig met het redden van zo veel mogelijk kinderen. Hij werkte daartoe ook samen met M.Bolle.

M.Bolle's voornaamste taak was de hulp aan Nederlandse vluchtelingen. Bij dit werk moet verder genoemd worden de Nederlandse dominee van de Evangelische Kerk in Brussel: Ds. Ten Kate. Ook bij hem vervoegden zich Joodse vluchtelingen uit Nederland. Bolle en Ten Kate gingen samenwerken. Een groot probleem was echter de financiering van hun hulp. Veel ambtenaren moesten worden "beloond" en de onderduikers zelf hadden vaak geen geld.

Nu duikt er weer een interessant verzetsman op, het is de Nederlandse industrieel J.B. Nijkerk. Ook hij trok zich het lot aan van de Joodse kinderen en probeerde er wat aan te doen. Hij nam kontact op met de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging te Bern in Zwitserland. De ambassade stuurde toen regelmatig koeriers naar Brussel, die ontvangen werden door Ds. Ten Kate. Deze nam de waardepapieren in ontvangst die de koeriers hem overhandigden en zorgde voor verzilvering ervan. De Nederlandse regering had deze bedragen ter beschikking gesteld voor de Hollandse oorlogsslachtoffers. Volgens sommige bronnen heeft ook de Joodse Internationale Organisatie "Joint" geld gegeven via de Nederlandse ambassade, maar hoe het ook zij, de slachtoffers werden geholpen en tot aan de bevrijding waren er geen financiële problemen meer.

Ik noemde eerder het CDJ, (Comité Défense Juive), dit was een Joodse verzetsorganisatie. Mau Bolle was daar nauw bij betrokken. Het CDJ besloot een trein met gedeporteerden op weg naar Auschwitz gewapenderhand tot stoppen te dwingen en de gevangenen te laten vluchten. Bolle, als knap organisator, werd belast met de organisatie. Dit plan werd echter door de gewapende partizanen verworpen als zijnde te riskant, maar werd desondanks uitgevoerd door drie ongewapende jongemannen. Het waren Youra Livschitz, Jean Franklemon en Robert Maistreau, het was hun eerste operatie. Een vierde jongeman had op het laatste moment afgezegd maar gaf wel een licht pistool aan Youra. Ze plaatsten een rood seinlicht op de rails ± 30 km voorbij Mechelen. Toen de trein stopte openden ze met tangen de deuren en bevrijdden 17 mensen, daarna begonnen de Duitse bewakers te schieten. Tijdens de rit naar het oosten konden op Belgisch grondgebied nog 225 mensen door de open deuren ontsnappen.

Bolle nam ook zelf deel aan het gewapend verzet. Hij fabriceerde samen met Jean Guilissen explosief materiaal en zorgde ook voor het transport. Dat ging een keer mis, het was een bombrief die hij naar het postkantoor bracht. Onderweg werd hij opgehouden door een kennis. Op het postkantoor zag hij dat de ingestelde tijd moest worden gewijzigd met het gevolg dat er een enorme steekvlam uit het pakje schoot. Door de paniek van de omstanders kon hij tijdig wegvluchten.

Steeds perfecter werden de valse papieren die Bolle verzorgde, in juni 1943 slaagde hij erin valse namen in het bevolkingsregister te laten opnemen. Dit had het grote voordeel datje distributiebonnen kreeg. Het principe was vrij eenvoudig, hij liet een dossier aanleggen in een klein dorpje waar hij de medewerking had van ambtenaren. Vervolgens liet hij de mensen van dat dossier administratief verhuizen, bij voorbeeld naar Brussel en daar werden ze dan gewoon in het register opgenomen.

Mijn ouders kregen ook zulke papieren van Bolle. Ze besloten weg te gaan uit Ukkel en huurden een huis op eigen naam in de rue du Lac. Er was ruimte genoeg in de woning en daarom kwam mijn zusje weer bij haar ouders wonen. En ook ik verliet de kostschool op 15 oktober 1943, juist op tijd naar later bleek.

Op 25 oktober 1943 deed de Feldgendarmerie een inval en nam iedereen mee. De direkteur, E Cougnet, werd gedeporteerd en heeft het niet overleefd. Een plaquette in Méan herinnert aan zijn gote moed waardoor 40 kinderen werden gered. De redding van deze kinderen is te danken aan de omstandigheid dat kinderen tot 15 jaar zonder ouders voorlopig niet op transport werden gesteld, maar in kindertehuizen gestopt.

Dit deden de Duitsers om de bevolking te doen geloven, dat de gedeporteerden echt te werk werden gesteld en niet werden vermoord. Een keer probeerden de Duitsers toch een tehuis te ontruimen, maar toen heeft Koningin Elizabeth persoonlijk ingegrepen en heeft het transport van de kinderen weten te voorkomen, vlak voor de bevrijding (3 sept. 1944) wilden speciaal daarvoor uit Duitsland gekomen SSers de kinderhuizen leeghalen. Het verzet heeft dit op het nippertje weten te voorkomen door alle kinderen onder te brengen bij burgers. Toen de SSers kwamen waren de tehuizen al leeg.

De sombere geschiedenis van de joden-vervolging lijkt hier een spannend avontuur maar was dat natuurlijk niet. Ook in België is het de geschiedenis van een massamoord.

In Nederland hoort men vaak dat de vervolging van de Joden in België minder erg zou zijn geweest dan in hun land. Ze verklaren dat door er op te wijzen dat in België een militair Duits bestuur en in Nederland een civiel bestuur was. Dit verschil heeft m.i. geen enkele rol gespeeld. Het waren dezelfde Duitsers die de Joden met fanatisme vervolgden, de bevelen kwamen rechtstreeks uit Berlijn, zowel voor Nederland als voor België. De anti-Joodse maatregelen liepen parallel, vanaf het ontslag van Joodse ambtenaren tot de invoering van de ster en tenslotte de deportatie.

Nee, het verschil moet volgens mij veel eerder worden gezocht in de mentaliteit van de Belgische bevolking, waar de Duitse propaganda minder vat op heeft gehad dan op de Nederlandse. Natuurlijk was er ook verraad en antisemitisme, doch die waren van geringe omvang. Veel belangrijker was het algemene gevoel van solidariteit met de Joodse burgers en de wil om iets te doen.

Verder heeft een rol gespeeld dat de bevrijding 9 maanden eerder is gekomen dan in Nederland. Ook de bemoeienis van het koningshuis en met name de inzet van Koningin Elizabeth speelde een belangrijke rol.

Ik heb getracht in kort bestek enige ervaringen van Nederlandse onderduikers in België te belichten. Ik heb dat gedaan aan de hand van mijn eigen ondervindingen in combinatie met hetgeen ik in officiële rapporten heb kunnen vinden.

Volledigheidshalve wil ik nog vermelden, dat zowel Mau Bolle als R. van Praag werden gearresteerd en naar Buchenwald gedeporteerd. Van Praag werd na korte tijd overgeplaatst naar een ander kamp. Hij heeft het ternauwernood gered; na vreselijke beproevingen is hij door de Amerikanen bevrijd. Mau Bolle heeft tijdens een luchtbombardement van de Amerikanen op Buchenwald het kamp kunnen ontvluchten. Na hun bevrijding keerden beiden terug naar Brussel.

N.Hamme
maart 1995

Twee Foto's van Denise Brachet-Blum, de kleindochter van Mau van Bolle

Deze hartelijke site doet mij weer denken aan mijn grootvader van moeders zijde, die mij oneindig veel tederheid heeft gegeven, die getracht heeft om mij strengheid bij te brengen en die voor iedereen een voorbeeld was van oprechtheid en goed burgerschap.

Foto: Mau van Bolle

Mijn opa en ik eind 1941 voor zijn deportatie in juli 1943.

Foto: Mau van Bolle

In kasteel Stuyvenberg met Koningin Elisabeth van België.

Foto van Roger van Praag

Foto: Roger van Praag

Dank aan meneer Hamme voor zijn website. Ik ben natuurlijk erg trots op mijn vader. Zijn verzetsactiviteiten staan beschreven in het boek "Dictionnaire biographique des Juifs de Belgique" van Jean Philippe Schreiber (uitgave De Boek, 2002, p. 349).
Paul van Praag